Organisatiepsycholoog Geert Hofstede deed in de laatste helft van de 20e eeuw onderzoek onder werknemers van IBM in vijftig landen. IBM kent een gedeelde professionele en bedrijfscultuur, maar nationale culturen blijken erg te verschillen. Hofstede onderscheidde hierin verschillende gebieden – culturele dimensies – van waaruit je culturen met elkaar kunt vergelijken. Landen kunnen voor iedere dimensie scoren op een schaal van 1 tot 100 (soms zelfs hoger). Er zijn zes culturele dimensies te onderscheiden. 

  1. Machtsafstand
  2. Individualisme / collectivisme
  3. Femininiteit / masculiniteit
  4. Onzekerheidsvermijding
  5. Lange- / kortetermijnsgerichtheid (Confuciaans dynamisme)
  6. Indulgent / restraint

 

1. Machtsafstand

Hoe normaal vind je het dat macht ongelijk verdeeld is? (gezin, school, werk).

Lage machtsafstand: bijvoorbeeld in Nederland, Scandinavië, Duitsland, Groot-Brittannië, de VS, Australië en Israël. Ouders en kinderen gaan als gelijken met elkaar om, kinderen mogen een mening hebben, op je werk mag je zelf initiatief nemen. Mensen vinden dit prettig.

Hoge machtsafstand: bijvoorbeeld in Azië, Latijns-Amerika en Oost-Europa, maar ook in België. Men accepteert dat superieuren (ouders, docenten, leidinggevenden) meer macht hebben. Je mag je mening geven, maar wel op een zeer respectvolle en soms indirecte wijze.

Middelhoge machtsafstand: bijvoorbeeld in Frankrijk, Polen, Tsjechië en Oost-Afrika. Ook zijn er uitzonderingen, zoals Costa Rica in Latijns-Amerika (vrij lage machtsafstand).

In sommige culturen heerst thuis een hoge machtsafstand terwijl men op school en werk te maken krijgt met een lage machtsafstand. Een goede balans vinden kan lastig zijn. In taal vind je hiërarchie terug. In Indonesië kent men bijvoorbeeld verschillende benamingen voor oudere en jongere broers en zussen. Voor ouderen heb je respect, jongeren bescherm je en je zorgt voor ze.

 

2. Individualisme / collectivisme

Individualistische maatschappij: in Noord-Amerika, Australië, Noord- en West-Europa, in iets mindere mate in Centraal Europa. Losse onderlinge banden, je zorgt voor jezelf en voor je naasten. Kinderen groeien op in ‘kerngezinnen’ met ouders en broers/zussen. Je bent op jezelf aangewezen. Je leert ik-geörienteerd te zijn.

In een individualistische maatschappij staat opvoeding in het teken van onafhankelijkheid. Dat is een hoogste individualistische deugd. Je eigen geld verdienen is belangrijk en kinderen verlaten het ouderlijk huis op relatief jonge leeftijd. Een andere deugd is eerlijk en open zijn (zeggen wat je denkt). Je leert kritiek als niet persoonlijk op te vatten en er iets constructiefs mee te doen. In individualistische maatschappijen heerst een voorkeur voor directe, laag context communicatie.

Collectivistische maatschappij: in Azië, Afrika, Latijns-Amerika, Midden-Oosten, Oost-Europa. Het individu is vanaf de geboorte deel van een sterke hechte groep. Onvoorwaardelijke loyaliteit aan de groep geeft levenslange bescherming. Kinderen groeien op in grote gezinnen (‘extended family’ met grootouders en soms andere familieleden). Je bent niet vaak alleen. Eigen identiteit = groepsidentiteit. Automatisch leer je wij-geörienteerd te worden.

Een collectivistische maatschappij kent als grote deugden afhankelijk zijn en om andere leden van de groep geven. Gezamenlijk opvoeden zorgt ervoor dat men een verantwoordelijk lid van de groep wordt (groep = alle sociale netwerken, dus ook buiten de familie). Kritiek wordt subtiel gegeven, zonder anderen te kwetsen (door indirect communiceren kan ‘vertroebeling’ ontstaan). In collectivistische maatschappijen heeft men een voorkeur voor hoog context communicatie.

 

3. Masculiniteit / femininiteit

De begrippen mannelijk en vrouwelijk worden gebruikt om biologische verschillen aan te duiden. Met de begrippen masculien en feminien wordt sociaal en cultureel gedrag beschreven dat geassocieerd wordt met mannen of vrouwen.

Masculien: Slowakije, Japan, Hongarije, Oostenrijk en Venezuela (top-5). Ook de VS en Australië. In Europa ook Groot-Brittannië, Ierland, Duitsland, Polen, Zwitserland, Italië en het Waalse deel van België. Belangrijke waarden in een masculiene samenleving zijn resultaat, succes en assertiviteit. Volgens Hofstede zijn sekserollen hier duidelijk gescheiden, maar toch zijn in veel masculiene samenlevingen ook vrouwen competitief en assertief (dan wel op verschillende gebieden). Kinderen leren dat je gewaardeerd wordt als je presteert. Alles moet sneller en beter, en je cv moet indrukwekkend zijn.

Feminien: Nederland en Scandinavië. Het Vlaamse deel van België is ‘medium feminien’. In een feminiene samenleving zijn bescheidenheid, tederheid en zorgzaamheid deugden voor zowel vrouwen als mannen. De emotionele sekserollen overlappen. De kwaliteit van het bestaan is belangrijk: niet alleen leren om je best te doen op school, maar ook om sociaal en zorgzaam te zijn. Een evenwichtig sociaal leven is net zo belangrijk. Dure dingen worden afgezwakt. Je cv mag bescheiden zijn.

 

4. Onzekerheidsvermijding

Deze culturele dimensie beschrijft de mate waarin men zich bedreigd voelt door onbekende of onzekere situaties. Ervaart men stress? Heeft men behoefte aan duidelijkheid via (in)formele regels? Overigens is dit iets anders dan risicovermijding (bekende risico’s neem je, onbekende risico’s vermijd je).

Onzekerheden waar je tegenaan kunt lopen in je studie en je werk zijn bijvoorbeeld een nieuwe studie, stages, uitwisselingen, een nieuwe baas, reorganisaties en ontslag. Onzekerheidsvermijding is iets wat van sterk naar zwak loopt: ervaar je een onzekerheid als een kleine ergernis of word je er wanhopig van?
Hoge score op onzekerheidsvermijding: bijvoorbeeld in Argentinië, Spanje, Turkije, Polen en Japan. Ook de Duitstalige landen scoren hoog (behoefte aan de drie R’s). Kinderen groeien op met strakke regels. Onzekerheid vormt een bedreiging. Men wil structuur en duidelijkheid, geen opdrachten die je verschillend kunt interpreteren. Veiligheid en zekerheid vormen motiverende factoren. Men heeft behoefte aan formalisering: geschreven en ongeschreven regels, ‘zoals het hoort’.

Lage score op onzekerheidsvermijding: in de Angelsaksische, Afrikaanse en Scandinavische landen en veel Aziatische landen. Kinderen groeien op met soepele regels. Onzekerheid en onbekendheid worden als gewoon gezien, je kunt ook leven ‘bij de dag’. Lessen mogen minder gestructureerd zijn, creativiteit mag en een docent hoeft niet alles te weten en uit te leggen. Men is minder bang om van werkgever te wisselen. Waardering, prestatie en ruimte voor persoonlijke ontwikkeling als motiverende factoren. Regels zijn er uiteraard, maar alleen de noodzakelijke.

Nederland zit ertussenin. Persoonlijke, professionele en culturele factoren spelen mee als het erom gaat of we ons prettig voelen bij het volgen van regels die de maatschappij oplegt. Vrijheid heeft daarmee niets te maken: zowel met als zonder regels kun je je totaal vrij voelen.

Pinto (interculturalist) onderscheidt drie typen culturen:

  • Fijnmazige culturen: traditionele culturen, regels gelden voor iedereen, er is weinig ruimte voor uitzonderingen. Iedereen voelt zich hier prettig bij.
  • Grofmazige culturen: weinig regels en voorschriften, afwijken van de regels is een individuele verantwoordelijkheid, die keuze heb je afhankelijk van de situatie. Ook hier voelt men zich prettig bij.
  • Middenmazige culturen: tussen fijn- en grofmazig in.

 

5. Lange- en kortetermijngerichtheid

Deze scores komen niet uit het IBM-onderzoek van Hofstede, maar uit het CVS van Bond, met wie Hofstede ooit samenwerkte. Aan dit onderzoek werkten 100 studenten uit 23 landen mee.

Hoge LTG: Oost-Azië, India, Thailand, Singapore en Brazilië. Volharding leidt tot resultaat. Wees spaarzaam en werk hard. Faal je, dan heb je niet genoeg je best gedaan. Zelfdiscipline en aansprakelijkheid zijn belangrijker dan vrije tijd. Investeren doe je met het oog op winst over tien jaar.

Lage LTG: Angelsaksische landen, Nigeria, Zimbabwe, Pakistan, Filippijnen, Duitsland en enkele landen in Centraal Europa. Nadruk op het nastreven van deugden gericht op heden en verleden. Veel respect voor traditie: voorkom gezichtsverlies en voldoe aan sociale verplichtingen. Gericht op het behalen van snelle resultaten met korte inspanningen. Succes en falen berust op toeval. Vrije tijd, vrijheid, succes en voor jezelf denken zijn belangrijke waarden. Sparen is goed, maar er is veel sociale druk om geld uit te geven. Investeren doe je met het oog op winst binnen een jaar.

In de middenmoot zitten veel Europese landen, zoals Nederland, Hongarije, Finland en Ierland.

 

6. Indulgent / restraint

Minkov voerde de WVS (World Values Survey) uit in 93 landen, om sociaal-culturele, morele, politieke en religieuze waarden in kaart te brengen.

Minkov onderscheidt drie culturele dimensies. Eén is indulgent versus restraint (sinds 2010 de zesde dimensie), die sterk correleert met ziekte, geluk en vrijheid van meningsuiting. 

In een indulgent maatschappij mag men toegeven aan plezier, genot en gevoelens. Dit kan bijvoorbeeld op het gebied van relaties, vrije tijd, geld uitgeven en met vrienden zijn. Er is samenhang met geluksgevoel, gezinsgrootte en beoefening van sport.

In een restraint maatschappij heerst sterke controle over genot. Men is minder in staat om te genieten van het leven. Er is samenhang met pessimisme, gezondheidsklachten en veel politie.

 

Creative Commons-Licentie
Dit werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel 4.0 Internationaal-licentie.

Culturele dimensies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.